Breed

Kalmpjes fietste ik naar Zeist, genietend van het gezang van de vroege ochtendvogeltjes. Ik was op weg naar mijn eigen wekelijkse zangactiviteiten, als lid van een vrouwenkoor. Al freewheelend naderde ik een werkbusje, dat ik op het eerste gezicht omschreef als plantsoenendienst of een anderszins groene activiteit. Er stapte iemand uit die, zo viel mij op, geklompt was. Hij liep dus, en dat had ik in jaren niet gezien, op echte houten klompen. De rest van de man bleek bij nadere ervaring eveneens een houten klomp.

Hij had mij niet zien aankomen. Plaatste zich met de rug naar mij toe, pontificaal midden op het fietspad en rekte zichzelf uitgebreid, het geschoren hoofd achterover. In mijn nadering riep ik hem toe: ‘ meneer u staat ernstig in de weg.’  ‘ Meneer’, kennelijk adrem, draaide zich om en voegde mij toe:   ‘ hoezo, bej zo breed dat je d’r niet langs kan?’  ‘ Nee’ , kaatste ik in open doel, ‘ maar u wel’ .

Grinnikend fietste ik verder om hem, zo’n drie uur later op de terugweg naar De Bilt opnieuw te ontwaren. Hij kloste op de middenberm van de Utrechtseweg en bewoog zich voort als een vechtstier in de aanval: schouders ingetrokken, rug gekromd en hoofd naar voren. Hij gaf, zo leek het, leiding aan een peloton bladblazers. Dit keer had hij zich echter netjes naast de vangrail geposteerd. Vond het kennelijk te gewaagd om zich breed te maken in het spoor van het autoverkeer tussen Zeist en Utrecht.

Reageer

Your email is never shared. Verpluchte velden zijn gemarkeerd *

*
*